Tsjevenstreek is niet altijd een scheldwoord

Een fraai politiek schouwspel, gisteren in de Kamer. Stemmen voor of tegen het feit of er gestemd zou worden. Chaos was het ordewoord, zo lieten de televisiebeelden en de krantencommentaren vandaag toch uitschijnen. Schijnbaar hield de Kamervoorzitter het hoofd koel, ook al werden hem verwijten over tsjevenstreken naar het hoofd geslingerd. Een tsjeventruc is niet altijd een schande, antwoordde Van Rompuy rustig. Zelfs Premier Leterme, die de hele zitting als een emotieloze sfinx had aanschouwd, kon een minieme glimlach niet verbergen.

Wat is een Tsjeef? Het internet staat vol met verklaringen en definities; zelfs Wikipedia wijdt er een pagina aan. Ik houd me bij onderstaande verklaring, niet toevallig vrie Gentsch geïnspireerd (zie ook hier).

In ‘Kaak kaak nen twiedekker’, het Gentse dialectwoordenboek van Van Geert en Levis uit 1993, staat: “Met tsjeven bedoelde men de katholieken. Te Gent had men de Sint-Jozefskring die uiteraard katholiek was. Tsoozep, Tseppe of Tsjeef zijn vervormingen van Jozef. In 1867 schreef Napoleon Destanberg, alias Cis Van Gendt, … en ik moet het u niet zeggen, ik die peter ben van de tsjeefkens, aangezien da’k ze gedoopt heb.”

Wie is nu die Napoleon Destanberg? Wel, een liberaal Gentse volksdichter die leefde van 1829 tot 1875. Een fragment uit zijn ‘Een liedje voor de weldenkenden’ uit 1866:

Tjeefkens, blijft gij in uw Kerken
Of gaat beevaart verr’ van hier
Maar die heel het jaar moet werke
Viert de feeste met plezier.

In mei 1871 deed de katholieke baron en senator Jean Auguste Casier een tegenzet. Bij de inhuldiging van het nieuwe lokaal van de Sint-Jozefskring liet hij zijn toehoorders uit volle borst ‘t Jeefkenslied zingen.

Wie zoo zijn zaeken eere doet,
Die moet zijn naam niet zwijgen
Tot spijt van wie ‘t benijdt
De Tjeefkens is ons naam en blijft het voor altijd.

Tsjeef, tjeef, ‘t Jeef, … hoe je het ook schrijft. Een naam om met fierheid te dragen, en dus zeker geen scheldwoord.

Reageer